Nul nummer

Redactie

Wieke Bergman
Henri Boissevain
Gerda Douma
Bartho Fidder
Piet Kaan
Henk Mulder
Marianne Mulders
Henk Veenhof

Redactieadres

Wieke Bergman
Ronkelskamp 48
9468 ER Annen
tel. 0592 272050

 

En toen was er Toen.

Die nieuwe titel mag best groot op de cover. Als het moet drie keer.
Doen (betekent toen, in delen van Drenthe als ‘do’ nog altijd in
gebruik) komt als woordbeeld uit een bijbel van 1533, een houtblokdruk.
Het tweede woordbeeld Toen komt uit het boek Handschrift Schoemaker. Een
boek uit 1732 waarin handelsreiziger Andries Schoemaker alles verhaalde
wat over Drenthe bekend was. Het jongste woordbeeld komt uit het eerste
handgeschreven jaarverslag van de voetbalvereniging Annen, waarin het
seizoen 1945-1946 wordt besproken.

Drie woordbeelden uit drie heel verschillende tijden. Zoals het
tijdschrift van de Historische Vereniging Annen ook door de tijd
struint.

Achter de boerderij van familie Moek, op de kruising van de Brink
en De Hoek, stond deze linde. Langs de enige verharde weg in de hele
gemeente was de boom begin vorige eeuw dé verzamelplaats voor de
‘boerwerken’ van de Boermarke. De vergaderlinde staat hier op één van de
oudste foto¹s van de Brink met rechts de dan nog jonge bomen van de
Brink. 

Voorwoord

Een aantal maanden geleden hoorde ik op een aantal plekken in de
voormalige gemeente Anloo: Weet je dat er een historische vereniging
wordt opgericht?

Je denkt daar dan over na en komt tot de slotsom dat het leuk, maar
eigenlijk nog  meer dat het noodzakelijk is, dat een aantal mensen
zich nadrukkelijk bezig houdt met de geschiedenis van de streek.

In een tijd waarin we steeds meer wereldburgers zijn geworden, blijft
het mijns inziens uiterst zinvol om in je directe woon- en leefomgeving
zicht te houden op de ontwikkelingen in de tijd. Als je in je directe
omgeving beseft wat er in de loop der tijden is veranderd, kijk je met
een andere betrokkenheid naar de gebeurtenissen in de ‘grote’ wereld.

Wereldburgers die elkaar ergens op deze aardbol ontmoeten, hebben
standaard twee vragen: waar ga je naar toe en waar kom je vandaan? Waar
je echt naar toe gaat, blijft altijd de vraag. Een vraag die vaak wel
beter te beantwoorden is, als je in  ieder geval weet waar je
vandaan komt.

Als je in je eigen omgeving verbanden kunt leggen, zaken in historisch
perspectief kunt plaatsen, lukt dat bij ontwikkelingen op een andere,
grotere schaal vaak ook beter.

Voor het overzicht en de aantrekkelijkheid is het verstandig om het
werkgebied van een historische vereniging niet te groot te laten worden.
Dus een Historische vereniging Annen. Met de oprichting van deze
vereniging is bovendien een gat in de gemeente Aa en Hunze gedicht.
Immers op het grondgebied van de oude gemeenten Gasselte, Gieten en
Rolde zijn al geruime tijd historische verenigingen actief. Nu is het
laatste kwadrant ook gevuld.

Ik ben benieuwd naar de inhoud van het eerste nummer van Toen.

Daarbij weet ik zeker dat ik niet de enige ben!

 

Rein Munniksma,
burgemeester Aa en Hunze  

 

 

 

    

Wieke Bergman

Hoe zag Annen er vijftig jaar geleden uit? Of honderd, tweehonderd,
vijfhonderd of zelfs duizend jaar geleden? Wat voor huizen stonden er
toen, wat voor mensen woonden er, hoe verdienden ze hun brood, hoe
gingen ze met elkaar om, wat deden ze in hun vrije tijd, hoe
verplaatsten ze zich? Hoe zag het landschap rondom het dorp eruit?

Dit zijn allemaal vragen waarin wij ons willen verdiepen. We willen op
allerlei manieren proberen antwoorden op deze vragen te vinden,
bijvoorbeeld door gesprekken met oudere mensen die zich de vroegere
situatie nog herinneren of het weten door verhalen van hun ou­ders en
grootouders, of door het ver­­zamelen van beeldmateriaal, oude
geschriften, door het bestuderen van archieven etc. etc. Vervolgens
willen wij al deze gegevens vastleggen en opslaan, zodat we ze kunnen
gebruiken om ze via ons tijdschrift voor een breder publiek toegankelijk
te maken en ze ook voor volgende generaties te bewaren.

Met dit doel hebben we in januari 2005 de Historische Vereniging Annen
opgericht. De officiële doelen staan vermeld in de statuten, maar kort
samengevat komt het hierop neer: het verzamelen van kennis over de
geschiedenis van Annen in de meest ruime zin, het vastleggen en
verspreiden van deze kennis en met behulp van deze kennis een oogje op
de ontwikkeling van het dorp houden.

Inmiddels zijn we actief bezig met een aantal werkgroepen: een
werkgroep Archief, een werkgroep Bebouwing en Bewonersgeschiedenis en
een werk­groep Redactie, met als resultaat dit eerste nummer van Toen,
ons tijdschrift, dat vier keer per jaar zal verschijnen.

Hoe meer je je in de geschiedenis verdiept, hoe breder het werkterrein
lijkt te worden. De werkgroep Archief heeft haar terrein dan ook in een
aantal categorieën ingedeeld, te weten: Kunst, Cultuur, Geschiedenis,
Algemeen (mensen, zaken) en Illustraties. Al deze categorieën zult u
tegenkomen in het blad. Dit betekent ook dat het aantal mensen dat mee
wil doen onbeperkt is; u zoekt gewoon uw eigen interessegebied en gaat
daar aan de slag.

Het tweede doel van onze vereniging is dan ook het gezellig bezig zijn.
U kunt u aanmelden voor een werkgroep of zelf, in overleg, een nieuwe
werkgroep starten. Ook willen we een paar keer per jaar een informele
bijeenkomst voor leden houden, waar u kunt bijpraten en informatie
uitwisselen. Verder zal er één keer per jaar een spreker worden
uitgenodigd die een bepaald historisch aspect zal belichten.

U kunt actief meedoen of u leest gewoon in Toen over hoe het vroeger in Annen was.

Dus, word lid, voor maar 15 euro per jaar.

Toen ………. doen!!!!

Ooit . . .

 

. . . .       stond er aan Zuidlaarderweg 110 een echte korenmolen.
. . . .       bestond het Annermoeras -nu Boonspolder- uit diverse meertjes en vennetjes.
. . . .       heeft er een schooltje gestaan op het grasveldje van ‘de Hoek’.
. . . .      
 
stond het gemeentehuis van de gemeente Anloo in Eext, maar dit werd nog vóór 1900 verplaatst naar Annen.
. . . .      
 
werden er in Annen en omgeving, onder luid tromgeroffel en andere herrie, wolvenjachten gehouden.
. . . .      
 
was het voor de deelnemers aan deze wolvenjachten streng verboden om
alcohol te nuttigen. In latere dagen, bij de hazen- en
konijnen­jachten, was dat wel anders.
. . . .       had Annen een badhuis.
. . . .       gebruikte men voor het ploegen van de akkers de ossenploeg.
. . . .       Pas sinds de twaalfde eeuw werd de paardenploeg ingevoerd.
. . . .       betaalden de boeren belasting op basis van het aantal paarden dat men be­zat.
. . . .      
 
waren er in onze gemeente 5120 schapen (1838). Bij een telling in 1896 bleek dit aantal teruggelopen tot 3200.
. . . .      
 
stond er aan de Kruisstraat een diepvrieskluis voor betaald algemeen gebruik.
. . . .       werd de eerste Oostermoertentoonstelling gehouden (in 1868).
. . . .       gingen er in Annen zeven huizen in vlammen op (plm. 1870).
. . . .       werd besloten de straten in Annen te vernoemen naar de veldnamen ter plaatse.
. . . .       lag er in Annen een heuse haven.
 

 


   

Mocht dit alles u merkwaardig overkomen, lees dan ons tijdschrift Toen, want we zoeken een en ander verder voor u uit!

annen in de 20e eeuw  (zie korte geschiedenis van Annen in menu)

Archeologie in de achtertuin

De Oude Groninger – Coevorder – Middenweg

Marianne Mulders

Het leek zo eenvoudig en duidelijk; bijna iedereen in Annen weet het
immers: onder het schelpenpad achter de Middenweg loopt ‘De Oude
Groninger Weg’. Dat staat in het boek Annen-rondom-de-Brink en dat leer
je op school.


   

Onderzoek in de Middenweg, voorjaar 2005.

Er loopt een breed oud karrenspoor door het bos naar Eext en Gieten,
genaamd de Coevorderweg, en er loopt een oude weg door Annen, genaamd de
Gronin­ger­weg. Die gaat via het hunebedje, langs de sloot, langs de
sporthal, langs de BP van Stadman met een rare bocht verder naar het
zuidoosten. Er volgt nog een afsplitsing naar Eext, maar de weg loopt
verder (deels als voet-/fietspad) duidelijk herkenbaar langs het
Zwa­ne­meer via een tunneltje, zo Gieten in. Daar in Gieten staat ook
een naambordje met ‘Oude Groningerweg’. Zo simpel als wat.

Wat zou er eigenlijk nog over zijn van die oude weg, die langs mijn
eigen achtertuin loopt? Waar komt die naam Middenweg eigenlijk vandaan?
Ja, hij loopt nù letterlijk midden door het dorp, maar dat was niet zo
vóór 1970. Toen was dat gedeelte van Annen nog es. En alle straatnamen
uit die tijd zijn afkomstig van de oude veldnamen: Börghoorns,
Meulenakkers, Strengakkers, Geerakkers, Hofakkers, noem maar op. Dus
waarom Middenweg? Waar komt die ‘rare’ bocht vandaan in de weg naar
Eext, terwijl hij zo mooi recht had kunnen lopen?

Toen de gemeente besloot in verband met de steeds terugkerende
wateroverlast een extra regenwaterriool aan te leggen onder dat
schelpenpad en toen bleek dat tijdens deze werkzaamheden een
archeologisch (proef)onderzoekje uitgevoerd zou worden, was dat voor
onze kersverse Historische Vereniging een prachtige gelegenheid de
gemeente te vragen ons van hun resultaten op de hoogte te stellen.

Er was een goede kans dat de grond onder de laag schelpen nog redelijk
ongestoord zou zijn, omdat bij alle graafwerkzaamheden bij het bouwrijp
maken in de jaren ’70 en later in 1981 bij het dichtgooien van een deel
van de sloot (een stukje is nu dus mijn tuin) het pad steeds als pad in
gebruik gebleven was.

Op 27 mei en 2 juni 2005 werden er in overleg met de heren F. Heis en
Ch. Houx van de gemeente, te midden van de ‘Grote Grijpers’ van de
rioolwerkers, twee sleuven ter onderzoek uitgegraven. Dat gebeurde door
het Bureau ‘De Steekproef’ uit Zuidhorn en wel in de persoon van drs.
Inger Woltinge, vroeger zelf wonend in Annen.

Archeologie in mijn achtertuin. Wat wil je nog meer?

Nou, ik had best wat echte vondsten gewild. Mijn ‘eigen buit’ bestond
uit twee botten van het type ’mergpijp-voor-de-hond’, één verroeste
spuitbus uit het moderne ’siliconentijdperk’, enkele fraaie zwerfkeien
en één aardewerkscherf van onbekende herkomst. Wat vond De Steekproef?
Niets, helaas niets, helemaal niets! Geen archeologische grondsporen,
geen bodemvondsten anders dan puin, afkomstig van de woningbouw. En
helaas nergens in het toch wèl behoorlijk verstoord gebleken traject
waren aanwijzingen voor de aanwezigheid van die voormalige Groningerweg.
Oftewel: geen diep uitgesleten karrenspoor, geen mooi skeletje uit een
verdwenen grafheuvel, geen potscherfjes uit de prehistorie, geen muntjes
uit de middeleeuwen. Zouden al die mooie kar­renspoortjes al volledig
zijn weggevaagd of zijn ze er nooit geweest? Toch wel een
teleurstelling!

Maar waar komt die zekerheid die in het dorp leeft dan vandaan? Een
typisch klusje voor een historische vereniging om uit te zoeken en we
(de werkgroep bewonings-geschiedenis) zijn er mee aan de slag gegaan.

Wat staat er vast, wat weten we over dit stuk van de voormalige ‘Noordesch’?

Er is een hunebedje uit de Trechterbekertijd (pakweg 3300 v.Chr.) , in
de wandelgangen bekend als ‘de prehistorische fietsenstalling’. De
bekende professor Van Giffen is hier in 1925 bezig geweest.

Er is een grafkuil gevonden bij het bouwrijp maken van de Holtkampen in
1974 met daarin scherven, gedateerd als Enkelgrafcultuur (vroeger
noemde men dat de Standvoetbekercultuur), globaal 2400 v.Chr.

Er zijn drie grafheuvels en een urnenveldje aangetroffen (Kooi, 1979) vermoedelijk uit de IJzertijd (750 v.Chr.-0).

Sake Jager (nu archeoloog bij het ROB) laat in zijn afstudeerscriptie
van 1984 een kaartje zien, waarop op de oostelijke flank van de Hondsrug
de Oude Groningerweg loopt van Gieten naar Zuidlaren met bij Annen een
gestippeld traject: de Middenweg. Hij sluit een tweede prehistorische
route over de oostflank niet uit, gezien het aantal grafmonumenten dat -
de hoogtelijnen volgend- min of meer op een rechte lijn ligt. Net als
op de westelijke flank, door het Kniphorstbos/de Strubben.

In het boek van Annen-rondom-de-Brink (1976) komen we een schets tegen
van J.E. Musch met de mogelijke situatie van Annen vóór de 17de
eeuw. Hij toont drie wegen die noord-zuid lopen:

- de Oude Coevorderweg door de hei (nu ’t Kniphorstbos) en langs de molen van Anloo

- de Oude Groningerweg over de Noordesch, langs de Brinkgordel die toen
veel groter was plus het ontbrekende stukje weg bij de ‘rare’ bocht
naar Eext,

- de Annerstreek met verlenging ten oosten van de brinkgordel.

Hans Elerie (historisch geograaf, BOKD) vroegen we naar zijn mening.
Hij zoekt het meer in de richting van een ‘cultuurhistorisch’ belangrijk
pad: de oude es-ontsluitingsweg uit de middeleeuwen. De naam Middenweg
zou verklaard kunnen worden als ’midden-over-de-es-lopend’. Een andere
mogelijke verklaring zou zijn: ‘de middelste-van-drie’ met de
Coevor­derweg ten westen en de Groningerweg ten oosten. Het uitzoeken
waard.

 

Wat weten we nog meer?

Roelof Schuiling van de bekende wandplaat uit 1912 schrijft: ‘….vlak
aan den weg Groningen-Koevorden ligt het hunebed van Annen, […] een
weinig verscholen achter het eiken hakhout, maar vlak aan den grintweg
die op de plaat langs de huizenrij en den molen gaat […].’ En hij
vervolgt verder : ‘[…] dat de Grintweg van Groningen naar Koe­vor­den de
brink ook snijdt (evenals de wegen naar esch en groenlanden) en dat aan
die weg het oude bestuursmiddelpunt van het dorp ligt: de vergaderlinde
van de boermarke.’ Op het bijbehorende kaartje is geen middenweg/pad te
zien. Kennelijk is dat rond die tijd niet meer van belang.

Op de eerste kaart (minuutplan) van het kadaster van 1832, maar
getekend in de Franse Tijd omstreeks 1812, staat onze middenweg wel
prominent afgebeeld als de ‘Chemin de Eext’, midden over de noord-es.

Voor wie de volgende beschrijving te taai is: volg onze speurtocht met eigen ogen op de site www.dewoonomgeving.nl.

Vanuit het noorden over de Noordloo heet de weg tot aan het hunebed ‘La
Grande Route’, de middenwegpoot heet dan ‘Chemin de Eext’, kruist de
‘Che­min d’Anloo à Annen’ (jawel onze Kruisstraat) met zo’n zelfde rare
bocht en heet dan weer ‘la Grande Route à An­nen’.

De huidige Zuidlaarderweg is lineaal-recht ingetekend alsof hij door de
tekenaar er later aan is toegevoegd en komt ter hoogte van het huis van
de erven Zondag (het latere café de Zon) samen met de ‘chemin d’ Annen à
Zuidlaaren’ die we nu kennen als de Annerstreek met een verlenging naar
de brink.

Op grond van deze kaarten alleen mag je natuurlijk geen conclusies
trekken. Speculeren is niet wetenschappelijk, maar wèl leuk. We
‘filosoferen’ dus toch even verder.

Het lijkt wel of die kaarsrechte weg er oorspronkelijk dus nog niet was
in 1812, de tijd van de ‘Hameau Annen’ (het gehucht, de
buur(t)gemeenschap, het kluft Annen), maar wel was aangelegd in 1832
toen het kadaster zijn invulling kreeg. In dat geval zou het stuk
Zuidlaarderweg van hunebed tot brink nog niet hebben bestaan en zou de
Middenweg hèt logische tussenstuk zijn van de ‘Grande Route’.

Overeind blijft ook het midden-over-de-es-gegeven en
de-middelste-van-drie-wegen met westelijk het oude Coevor­dertraject en
oostelijk de weg over de brink, doorgaande in de Annerstreek. Maar het
blijft natuurlijk spelen met de gegevens: geen zekerheid.

Het zal u duidelijk zijn dat we nog veel meer oude kaarten boven water
moeten zien te krijgen. We speuren verder naar een antwoord op:
middeleeuws of toch ook wel prehistorisch? Wat kan de archeologie ons
verder vertellen? We zullen regelmatig in Toen verslag doen van onze
speurtocht naar TOEN.

Sommigen denken misschien: ‘Waar maak je je druk om?’ Wij hopen
natuurlijk dat anderen juist zin krijgen om met ons te gaan spitten in
de tijd.

 

Bronvermelding:

1 - Drs. Inger Woltinge (Dr. Johan Jeltsma senior archeoloog) Bureau de Steekproef, 2005 – 04/14. Verslag van

archeologische waarnemingen aan de Middenweg te Annen (Drenthe).

2 - S. Jager, 1984. Een reconstructie van een prehistorische hoofdroute in de gemeente Anloo (prov. Drenthe).

Alsmede eeuwenoude fossiele karresporen. (scriptie)

3 - H. Elerie, S. Jager, Th. Spek, 1993. Landschapsgeschiedenis van de Strubben/Kniphorstbos.

Archeologische en historisch-ecologische studies van een

natuurgebied op de Hondsrug.

4 - De brink rondom Annen rondom de brink, 1976.

Samenstelling: T. Hommes, J.E. Musch, A. Rademaker en R. van der Sleen

5 - R. Schuiling en J.M. de Feyter, 1912. Handleiding bij de Aardrijkskundige Wandplaten van Nederland: Landschap bij

een eschdorp (Annen, Drenthe), wandplaatschilder A. Gouwe.

6 - Internet < www.dewoonomge-ving.nl> met de volgende minuutplans Sectie I: Annen, G: Annergroenlan­den,

H: Annerhoog, K: Anloo en L: Eext

7 - Topografische kaarten 12E Zuidlaren, 12G Gieten

verkenning 1968 schaal 1:25000.

Staat der leerlingen in 1842

We kunnen het ons nu niet meer voorstellen, maar meer dan een eeuw
geleden was het een luxe om naar school te mogen. Ouders konden het zich
domweg niet veroorloven hun kinderen de hele dag te moeten missen. Veel
kinderhanden waren thuis nodig om het vele handwerk te verrichten.
Sommige kinderen werkten het hele jaar door, sommige kinderen gingen in
de winter, als het werk op het land stil lag, naar school.

Het kabinet Pierson (1887-1901) kreeg het met een nipte meerderheid
voor elkaar de leerplicht in te voeren. Die werd in juli 1900 aanvaard
en op 1 januari 1901 ingevoerd. Vanaf die dag werden ouders, arm en
rijk, verplicht gesteld ervoor te zorgen dat hun kinderen tenminste zes
jaar lang onderwijs volgden.

In de voormalige gemeente Anloo hadden in 1842, dus lang voor invoering
van de leerplichtwet, in totaal 381 kinderen het ‘genoegen’ naar school
te mogen. 

 


   

De redactie van Toen heeft een fraaie lijst opgeduikeld met de
namen van de kinderen die in de eerste helft van 1877 de school in Annen
bezochten. In sierlijke letters werd genoteerd wie de school bezochten,
wanneer en van wie het een kind was. 

In de maanden met een \ zijn de kinderen achter wie dat streepje
staat niet naar school geweest; het aantal leerlingen varieerde dus
nogal.  Het is een prachtige document, waarin diverse voor- en
familienamen staan die nu, bijna anderhalve eeuw later, nog steeds in
Annen te vinden zijn.

Wie zijn dat ook alweer?

Deze foto is gemaakt op het vliegveld van Eelde.

De redactie van Toen probeert met uw hulp alle namen te achterhalen.

Als u de mensen op deze foto kent, kunt u deze namen doorgeven aan Henk Mulder, telefoonnummer 231656.

We hopen de lijst compleet te krijgen; wordt dus vervolgd.


  


   

Bekend zijn:

01. dokter Niermijer

02. Hendrik Jan Klinkers

04. Pieter Redeker

06. Albert Okken

07. Derk Hollander

08. Kobus Fidder

10. Jacob Zeubring

12. Berend Kleef

13. Fenna Okken

16. Mina Dijken

17. Geert Niemeijer?

23. Jantje Talens

24. Lucas Fidder

25. Geert Talens

26. Lang Kremer (Hendrik)

27. Jacoba Fidder-Vennink

31. Mina Kors-Okken

33. Gerrit Redeker

34. ‘oude’ Blauw vader politie Blauw

36. Trien van Evert Bulk

37. vrouw Zeubring

41. Klaasje Schuiling

42. zuster Teelken

43. vrouw Westrup

44. Jo Smit-Zeubring

45. Jan Dijkema

48. Gonda Mulder

49. Job (Barelts Job) Schuiling?

50. Hillie Koiter-Kremer

52. Jantje Ottens-Speelman

53. Febe Huisman

54. Egbert Ottens

55. Isaac Westrup

57. Martinus Kors

69. Freekie Kremer, getrouwd met Jan Rademaker

 

Als U Uw voorouders zoudt zien,

zo staande in een rij ....

Dan rees misschien bij U de vraag,

hé, hoorde ik daar bij?

 

Maar stel, dat zij U konden zien

Uw leven gadeslaan ....

Zoudt U dan voor hun keurend oog

wel zonder schaamte staan?

 

En als U zelf er niet meer zijt,

’t is goed dat u hieraan denkt

Zou ’t dan de moeite nog wel zijn,

dat men U aandacht schenkt?

Tollen en tolhuizen

Henk Veenhof

Al eeuwen lang moest men in Nederland tolgeld betalen. Langs de wegen
stonden dan ook vaak tolhekken met tolhuizen. Tussen Zuidlaren en Eext
werden twee tolhuizen gebouwd, een te Zuidlaren nabij Schuilingsoord en
een op de grens tussen Annen en Eext.


   

Het tolhuisje bij Spijkerboor, bij de brug over de Hunze, staat er helaas niet meer.

Een eigenaar van gronden in de Middeleeuwen had het recht om tol te
heffen. Van woeste gronden, wegen, wild en zelfs van de wind mocht men
tol heffen. Een molenaar bijvoorbeeld diende voor het windrecht te
betalen. Vanaf ongeveer 1830 begon het Rijk nieuwe wegen aan te leggen
en ook particulieren werden aangemoedigd om dit uit eigen zak te doen,
in ruil waarvoor zij dan tol mochten heffen. Zo werd de straatweg tussen
Haren en Zuidlaren destijds aangelegd door een groep particulieren die
zich de Zuidlaarder Straatwegmaatschappij noemden. Allen hadden zij één
of meer aandelen in de weg.

Ook de weg van Zuidlaren via Annen, Eext naar Gieten is aangelegd door de Ooster­moersche Straatweg Maatschappij.

Nadat de straatweg van Assen via Loon, Gasteren, Anloo, Annen,
Spijkerboor, Annerveenschekanaal al ver voor 1900 was aangelegd, werden
er tolhuizen te Gasteren, Spijkerboor, Annerveensche­kanaal, enz.
gebouwd. Eén van deze tolhuizen werd in 1849 nabij de brug over de Hunze
in Spijkerboor gebouwd. Het verpachten van deze tollen gebeurde door
het gemeentebestuur. Men moest zich houden aan de voorwaarden van
ver­pachting, een artikelsgewijs geschreven ‘verhaal’ van het
gemeentebestuur van bijna zes bladzijden.

De belangrijkste voorwaarden waren:

1. Tolheffing geschiedt overeenkomstig zijne Majesteits goedgekeurd tarief.

2. De tolhuizen en de daarbij behorende gronden mogen door de tolgaarder wor­den gebruikt zonder iets te betalen.

3. De tolbomen of palen moeten één uur na zonsondergang tot één uur
voor zonsopgang, uitgezonderd bij helder maanlicht, door een goed
lichtgevende lantaarn worden verlicht.

4. De tolgaarders moeten dadelijk bij de aankomst van de reiziger,
zowel bij nacht als bij dag, de tol ontvangen en alle in het rijk
gangbare zijnde munt aannemen. Zij zorgen er steeds voor kleingeld bij
zich te hebben om te kunnen wisselen of terug te geven.

5. De postillons der brievenmalen mogen door geen gesloten tolbomen worden opgehouden.

6. De tol mag alleen door de pachter of leden van hun huisgezin worden ontvangen.

7. De tolpachter moet een register aanleggen, wat met pen en inkt klaar
moet liggen, waarin de reizigers hun bezwaren kunnen optekenen.

8. De tolpachter staat altijd onder het gemeentebestuur en moet kennis
geven van alle ongeoorloofde daden. Ten einde wettelijk de
politieover­tredingen te kunnen constateren, zal de tolpachter zich de
benoeming tot politiebeambte moeten laten welgevallen en na benoeming
proces-verbaal opmaken van overtredingen.

9. Wanneer het gemeentebestuur beveelt de doorgang van zware voertuigen
te beletten i.v.m. vorst of dooi, kan de pachter geen schadevergoeding
indienen.

10. Ter verzekering van stipte naleving der pachtvoorwaarden moet bij
aanvang iemand borg staan ten genoegen van het gemeentebestuur.

11. De verpachting geschiedt bij inschrij­ving en zonodig met opbod of afslag.

De pacht duurt drie jaren.

Verder werd er door de Raad van de gemeente Anloo een besluit genomen
tot vaststelling van de verordening op de heffing van tol voor het
gebruik van de kunstweg van Annen naar Spijkerboor.

De tol zal geheven worden overeenkomstig het navolgende tarief:

a. voor elk los paard of muilezel 2½ cent

b. voor elk los runderbeest of ezel 1½ cent

c. voor elk kalf, schaap of varken 1 cent

d. voor een kudde schapen of varkens, sterker dan vijftig stuks ineens 50 cent

e. voor elke hond, bok of geit, aangespannen voor rij- of voertuigen met twee wielen 1½ cent

f. idem met vier wielen 3 cent

g. voor elk paard, rundbeest of muilezel gespannen voor rij- of voertuigen met twee wielen of voor sleden 5 cent

h. idem voor vier wielen 7½ cent

i. wanneer twee- of meer rij- of voertuigen aan elkander gekoppeld zijn, voor elk paar wielen 4 cent

j. voor elk paard, aangespannen voor diligences of omnibussen, ingericht voor niet meer dan zes personen 7½ cent

k. idem voor meer dan zes, doch niet meer dan negen personen 8½ cent

l. idem voor meer dan negen personen 10 cent

 

Vrij van tol:

paarden en rijtuigen van het Koninklijk huis, van prinsen/prinsessen,
van renboden in ’s Konings dienst, voor de brievenposterij, van de
Koninklijke marechaussee, van militairen in uniform, van wagens en
voertuigen van de Staat, van ambtenaren belast met het toezicht over de
weg, voor vervoer van brandstof voor scholen, voor vervoer van lijken
naar de begraafplaatsen in de gemeente, voor vervoer van oogst, mest,
heideplaggen enz.

Tevens voor het brengen en halen van vee naar en uit de weilanden en
voor ongeza­delde paarden die beslagen moeten worden bij de hoefstal.

De Hoek en de Schoolstraat,

begin vorige eeuw.

Verteld door Sien Rademaker, opgetekend door zijn schoonzoon Hendrik Veenhof.

Een verhaal over het leven in de Hoek en de Schoolstraat, in de jaren
twintig van de vorige eeuw. Hoe het ging met de bewoners en wie zij
waren, daar in het oud­ste gedeelte van Annen.


   

Het huis met het rieten dak van huisnummer C 88, nu Schoolstraat 30, gezien vanaf de Kruisstraat.

Als Sien (Gezinus) ben ik geboren op 3 april 1917, als dertiende
kind van Hendrik Rademaker en Jantien Oosting in de
Gasselternijveenschemond, 2e Dwarsdiep waar het gezin toen woon­de. Mijn
vader had een bodedienst die later is overgedaan aan Poelman van
Gieterveen. Ons gezin heeft bestaan uit veertien kinderen, van wie ik nu
nog de laatst levende ben. Omdat er maar tien kinderen in het
trouwboekje bijgeschreven konden worden, ben ik, samen met de andere
jongste kinderen, op een los blaadje bijgeschreven.

Wanneer wij in Annen zijn komen wonen weet ik niet precies,
vermoedelijk ergens in het begin van de jaren twintig van de vorige
eeuw. Ik zal toen een jaar of vier geweest zijn.

De Schoolstraat, toen nog een zandweg, bestond voor het merendeel uit
boerderijen. De oudste was die van Boele Zandvoort die ‘bolhouder’ was
(hij had een dekstier op stal). De stier was een gezamenlijk bezit van
de Anner boeren en was vermoedelijk aangekocht door de
land­bouw­vereniging. Dus lieten de boeren hier hun koeien dekken. Op
een keer heeft Job Hollander aan een ferme trap van de stier een
gebroken been overgehouden.

Vlakbij woonde de familie Jan Veenkamp in een boerderij met een grote
zijbaander. Hun zoon had een handicap, een ronde rug (bochel). Hij bleek
niet geschikt te zijn voor het boerenbedrijf en is een garage begonnen
met autoverhuur. Daarbij was hij de chauffeur van de dokter. Nu is dit
garage Stadman.

Een eindje verderop woonde de familie Geert Niemeijer senior, een
zelfstandige boer. Hij was ook jachtopziener, onbezoldigd veldwachter en
tijdelijk gemeen­tebode. Niemeijer zorgde er voor dat, wanneer er een
stuk vee was dood gegaan, het kadaver werd overgoten met creoline, zodat
het niet meer voor consumptie geschikt was. Hij had de bijnaam Geert
Verbaal, gezien zijn functie als onbezoldigd veldwachter.

Hiernaast woonden wij, de familie Hendrik Rademaker, (Luut’n Hendek).
Vader was vrachtrijder, voerman, huisslachter, beerhouder, baggelspitter
en nog veel meer. Je kon het zo gek niet bedenken of hij pakte het werk
wel aan.

Het dekgeld voor de varkensbeer was f. 1,25, maar lukte het niet
direct, dan moest de zeug blijven ‘logeren’ voor een kwartje per dag aan
kost en inwoning, het zogenaamde ‘voergeld’.

Een buurman hield er duiven op na en op een zekere dag vergreep onze
kat zich aan zo’n dier met als gevolg dat Niemeijer het beest wilde
doodschieten. Mijn moeder voorkwam dit en eigenhandig knoopte ze de kat
aan de waslijn op. Over rechtspraak gesproken! Dit was Hendek Aolfie
(Nijborg) ter ore gekomen en die kwam vragen of hij het velletje wel
mocht hebben. De kat werd alsnog opgegraven en door hem meegenomen.

Achter de boerderij van Niemeijer was een groot ooievaarsnest dat ieder jaar bezet was.

We verplaatsen ons nu naar De Hoek waar zich een aantal kleine
winkeltjes bevond en waar wij ook gewoond hebben, (we zijn nog al eens
verhuisd). We woonden toen naast Job Pepping. Die was ook boderijder en
een geducht con­current van mijn vader in het vracht­vervoer. Ze waren
heus geen dikke vrienden.

In De Hoek bevonden zich dus enkele kleine neringdoenden. Zo had Berend
Timmer er een kruidenierswinkeltje en was hij vertegenwoordiger van
Singer naaimachines, die ook door hem werden hersteld.

Tegenover deze woning lag een brink met een waterput voor gezamenlijk
gebruik. Deze brink zal ooit groter zijn geweest. Eens heeft Timmer
geprobeerd zich in die put te verdrinken, maar gelukkig bleef hij aan de
puthaak hangen. Hij is er door mijn zwager Ep Nijborg uitgehaald. Op
een zekere dag is de familie Timmer met de noorderzon vertrokken.

Naast Timmer woonde Evert Bulk, monteur bij het elektriciteitsnet, het
PEB. Hij had een winkeltje voor kleine huishoudelijke elektra-artikelen,
zoals lampen, stekkers etc. Hij maakte klompen, sleep in de winter
schaatsen en was ook nog jager.

Links van hem woonde Willem Beukin­ga, die leedaanzegger was. Hij reed
met een handkar naar de Eexterweg waar hij een grote groentetuin had.
Onderweg nam hij de paardenstront, die langs de weg lag mee voor de
bemesting.

Naast Geert Beukinga, die een klein manu­facturenwinkeltje had, woonde
een oude weduwe. Zij was erg bang voor onweer en mijn broer Geert en ik
hebben eens een nacht bij haar moeten slapen. Het kon zo maar gebeuren
dat, wanneer ze met mensen stond te praten, ze spontaan ging zitten om
te plassen. Hoezo, wildplassen?

Aan de linkerkant was de grote boerderij van Popken waarin zich de
Boerhoorn bevond, die werd geblazen om de boeren ter vergadering bijeen
te roepen. Achter op die boerderij, aan de kant van de Brink, bevond
zich een publicatie­bord, dat voor allerlei mededelingen voor de buurt
werd gebruikt. Tijdens de kermis op het brinkje deed de boerderij dienst
als huiscafé, wel met vergunning.

Jammer genoeg is er veel in De Hoek verdwenen, want achter de huidige
schuur van schilder Reitsema hebben nog twee kleine boerderijtjes
gestaan. Het ene werd bewoond door de familie L. Bas­tiaans en het
andere door de familie J. Assies. Assies was conciërge op de lagere
school vlak in de buurt. Hij zorgde er in de winter ook voor dat de
kachels ’s morgens vroeg werden aangestoken.

Tussen ons huis en dat van Job Pepping in De Hoek was een waterput die
gestapeld was van veldkeien. Die bevond zich meer naar de voorkant van
beide woningen, aan de Brinkkant. Die put werd ieder najaar ‘geheusd’*
door Job Pepping, die dan in de put afdaalde door van kei op kei te
stappen. De prut onderin de put werd met behulp van emmers naar boven
gehaald. Bij mijn weten moet de put daar nog zijn, omdat hij in latere
jaren met allerlei rommel is dichtgegooid.

Boderijder, voerman en melkrijder -1

Hendrik Veenhof

In Annen had men rond de jaren twintig, dertig en veertig van de vorige
eeuw een aantal ‘boderieders’, voerlui en melkrijders. Ik wil in een
aantal afleveringen proberen u wat over die mensen te vertellen.


   

De familie Kors, met Martinus Kors, Geert Boelens, Jan Kors,
Freerkien Kors, Trientje Kors (vlnr) en zittend Arend Kors en Jantje
Boelens, poseert in 1905 trots voor de foto.

Velen hebben ‘de boderieder’ met zijn bodekar, die in het begin van de
vorige eeuw werd voortgetrokken door één of twee paarden, gekend en er
zijn duizenden die er vertrouwd mee zijn geworden. Bodekarren, getrokken
door paarden, zijn na de oorlog stilletjes aan uit het straatbeeld
verdwenen. Ze zijn vervangen door kleine vrachtwagens. De bodekarren
zullen vermoedelijk wel bij een sloper zijn terechtgekomen. Voorbij is
de romantiek, de auto kwam, mede omdat het vervoer met paard en wagen te
langzaam ging en de capaciteit te klein was.

Ook vanuit Annen werden er dagelijkse of wekelijkse bodediensten
onderhouden op verschillende plaatsen in de provincie, zoals die van
Annen naar Assen en Groningen. De familie Pepping uit de Hoek, de drie
families Kors van de An­nerstreek, de familie Vos, Rademaker uit de
Hoek, later Schoolstraat en buurman van Pepping en de families Boelens
en Scheffers aan de Zuidlaarder­weg maakten deze ritten.

Bodes waren merkwaardige mensen. Ze waren van alle markten thuis en
wisten zich overal bij aan te passen. Als het maar enigszins kon,
voldeden ze aan elke opdracht, of het nu een onderbroek was die op zicht
moest worden meegenomen, losse boorden die gesteven moesten worden of
tien liter jenever, het kon allemaal. Ze hadden blijkbaar ook een goed
geheugen, want vaak werd alles onthouden, er werd weinig of niets
genoteerd.

Ze kwamen vaak met nieuwtjes thuis die onderweg waren opgedaan. Radio’s
waren er toen nog maar weinig, het was dus een soort van vrije
nieuwsgaring.

Paarden waren trouw, als ze maar één keer ergens waren geweest vonden
ze later zelf wel de weg naar huis terug, wat wel eens goed kon uitkomen
als de bode na een lange dag in slaap viel of wanneer hij onderweg een
borreltje had genomen.

Arend Kors

We willen enkele van die ‘boderieders’ belichten, om te beginnen Arend
Kors. Hij was boderijder, maar had ook een melkrit met zijn beide zonen
Jan en Martinus. Marti­nus, die in de omgang Tiens werd genoemd, woonde
later op het perceel C 255, nu Annerstreek 25. Ze hadden een
familiebedrijf. Beide zoons zijn later zelf boderijder en melkrijder
geworden. Vader Arend Kors woonde met zijn gezin op het perceel C 256,
nu Annerstreek 23. Hij had twee bodewagens, waarvan een grote die door
twee paarden getrokken moest worden en een koets. Achter het perceel
stond een grote schuur om die wagens te kunnen bergen. De schuur is
later verplaatst naar de woning van Martinus tegen de bestaande woning
aan. Weer later is daar een nieuw voorhuis voor gebouwd.

De koets waarover Arend Kors beschikte, was een klein rijtuig waarmee
gegoede burgers werden vervoerd in de verre omtrek. Zo moest zoon Jan
eens een keer op veertienjarige leeftijd de toenmalige burgemeester van
Anloo met paard en koets naar Pekela brengen. Hij kon dat best doen
volgens zijn vader. Er werd in die tijd verder niet over nagedacht, maar
ondanks de weinige drukte op de wegen was het toch wel een
verantwoordelijke opdracht.

De familie Kors had ook een bodedienst op Assen. Voor de kroeghouder
moest er sterke drank vanuit Assen meegenomen worden en er werd de
boodschap meegegeven dat de boderieder wel 10 procent korting moest
hebben. Zo kreeg men voor de prijs van negen liter, tien liter sterke
drank mee naar huis. De winst was voor de boderijder. Handel zat er toen
ook al in.

Zoon Jan woonde later met zijn gezin op het kleine keuterijtje C 254,
nu An­nerstreek 27. Helaas is dit afgebroken en vervangen door een
moderne woning. Jan deed er nog een melkrit bij. Allen woonden lekker
dicht bij elkaar en men hielp elkaar over en weer bij de werkzaamheden.

Dat alles altijd niet van een leien dakje ging, blijkt uit het volgende voorval:

Eens moest Arend Kors een tuinbank van de directeur van de melkfabriek
mee naar Annen nemen naar de schilder. Hij ging op de bank zitten die
los op de melkwagen was neergezet. De Kruisstraat in Annen loopt van
hoog naar laag en daar had hij blijkbaar niet voldoende bij nagedacht.
Tijdens de rit moest hij bij het binnenrijden van Annen het paard een
beetje inhouden, omdat het daar bultafwaarts gaat. De bank ging schuiven
en schoof, compleet met Kors, de wagen af, de sloot in.

De Annerstreek was toentertijd nog een zandweg en om bij huis te komen
na een dagrit kwam Arend via een zandweggetje over een akker die ook van
hem was, vanaf de hoofdweg (nu de Zuidlaarderweg) rechtstreeks naar
zijn huis. Vermoedelijk is dit weggetje het begin van het zogenaamde
Kerkweggetje, dat via de oude Middenweg en de es naar de kerk van Anloo
liep.

Arend Kors was ook korenkoopman en zorgde voor haver dat als voer voor
paarden diende. Dat moest soms van heinde en verre worden gehaald. Hij
leverde de haver voor de trampaarden, voor die van de politie en de
marechaussee. Ook verkocht hij lijnkoeken die van Spijkerboor bij de
molen werden gehaald. Zo kwam hij aan de bijnaam, ‘Aorend lienkouk’.

Toen hij stopte met de boderit heeft hij die overgedaan aan zijn zoon Martinus.

Het verhaal van Wildschu

Bostrapper, de schrijver van het nu volgende verhaal, dat in de
volgende afleveringen van Toen als vervolgverhaal geplaatst zal worden,
is een pseudoniem van Maas Pluim, die jaren geleden als jachtopziener in
dienst was van Meneer Everts, eigenaar van onder andere het Evertsbos,
dat later is opgegaan in het staatsbos.

Bostrapper noemt zichzelf Marten Harmsen en zo heeft hij alle personen
in zijn verhaal andere namen gegeven, want deze geschiedenis speelt zich
grotendeels in Anloo (Averloo in zijn verhaal) en omstreken af, tussen
1921 en 1927.

Maas Pluim heeft zijn vrouw Jeichien in Annen gevonden, zij was een
dochter van Harm Mulder en Geessien, zus van zes broers, Jan, Henderik,
Harm, Egbert, Lucas en Gezinus.

Het verhaal is dus gebaseerd op waar gebeurde episoden uit het leven
van Maas Pluim, geboren op 8 december 1893 in Apeldoorn. De redactie van
Toen hoopt dat deze levensbeschrijving van toen u een indruk geeft van
leven, werken en wonen in die tijd, toen stropen nog een levensbehoefte
was, maar niet door de Wet was toegestaan.

 

Wildschut -1

Bostrappe

De reis loopt ten einde. De conducteur heeft juist de naam afgeroepen
van het voorlaatste stationnetje. “Gasselternij­veen, Gasselternijveen,”
klonk het langs de coupés. Marten kijkt eens naar buiten. Natte
kloddersneeuw bedekt het kale landschap. De dooi is weer ingetreden. De
sneeuw is al in natte flatsen van de spaarzame struikjes in het rond
gevallen. Morgen zal vrijwel alles weg zijn.

Jammer dat het nu juist moet dooien. Als de sneeuw nog een paar dagen
was blijven liggen, zou Marten een mooi overzicht hebben kunnen krijgen
van de wildstand in zijn nieuwe veld.

Dan staat het treintje zuchtend voor de laatste keer stil.

Marten grijpt zijn spullen bijeen, geeft het spoorkaartje aan de
conducteur, die tevens stationschef is, neemt zijn fiets in ontvangst en
kijkt eens om zich heen. Hij is blijkbaar de enig overgebleven
reiziger. Op het perronnetje staat nog één man, die naar ’t schijnt op
iemand wacht. Verder is er om hem heen de grote Drentse vlakte. Hier en
daar tekent zich in de verte een dorpje af, verder is alles wit.

Marten begint de bullen op de fiets te binden. Straks zal hij wel zien
welke kant hij uit moet. Gelukkig heeft hij een landkaartje bij zich,
het zal wel te vinden zijn.

Intussen is de wachtende man dichterbij gekomen. “Bint u misschien de
nije jachtopziener die veur meneer Ebers in Averloo is aan-steld?”
klinkt een vriendelijke stem. “Ja, dat ben ik,” zegt Marten, blij
verrast. “Meneer had mij zèègd ik mus u van de trein hoal’n. Ik ben de
wilddroa­ger van meneer. Ik heet Albert.”

Terwijl Marten Albert de hand reikt, merkt hij op, dat zijn gelaat erg
bruin is voor de winterdag. Later zal hij horen, dat Albert lange tijd
als koloniaal in Indië gediend heeft.

Dan stappen ze beiden op de fiets; de natte sneeuw kliedert onder de wielen. Beide fietsen laten een breed spoor achter.

Het rijdt moeilijk, en tussen het glijden door begint Marten de vragen
te stellen, die hem op de tong branden. “Zit er veel wild, Albert?”
“Nee, niet veul. De leste tied is der slim streupt.”

“Zijn er veel stropers in Averloo?” “Nee, in ’t durp zulf niet, meer ze komm’n oet de umstreken.”

“Komen ze vaak met de lichtbak?” “Joa man. En met de windhond’n, en ge­weer’n en dan met strikk’n.”

“Jij kent de stropers zeker allemaal wel, hè?” “Joa. De meesten wel.
Der bint donders bie. Kiek, die doar op die woagen, dat is der al ene.
Hest ‘em goud zein, Harm­sen?”

“Ja, die ken ik wel weer. Waar woont hij?” “Straks komm’n wie langes zien hoes, dan za’k dei wel wiez’n. Jan Keunings heet’e.”

Zo glibberen ze voort over de smalle straatweggetjes. “Kiek, doar he’j
zien hoes. Dat gepleisterde doar. En doar­gunds woont mien oale oom.
Doar wol ik noe met dei een kom koffie drinken.” “Dat is best,” vindt
Marten. Hij heeft trek in iets warms.

Samen stappen ze het lage huisje binnen. Een oude, grijze man ontvangt
hen hartelijk. Zijn vrouw dribbelt vol bedrijvigheid heen en weer en
schenkt koffie.

‘Oale Geert’ vertelt dat hij ook jacht­opziener geweest is, maar dan
naast zijn betrekking als gemeentebode. Nu hij ouder werd, wilde hij het
jachtopzienerschap echter opgeven.

Albert brengt hem daarna naar zijn kosthuis. Ook daarvoor is dus
gezorgd. De volgende dag kan hij op het gemeentehuis zijn buitengewone
machtiging halen en kan hij het geweer van zijn voorganger overnemen.

Eerst laat in de avond landt Marten zo in zijn kosthuis aan. Tot zijn
spijt heeft hij niets meer van de omgeving kunnen zien, omdat het al
lang donker was. Morgen zal Albert echter terugkomen en hem de grenzen
van het jachtveld wijzen.

De kostbaas en zijn vrouw zijn aardige mensen. Ze hebben een goed
boerderijtje en - gelukkig - kinderen. Natuurlijk liggen die al te bed,
dus de kennismaking met de kleinen wordt uitgesteld tot de volgende dag.

Na wat onwennig over en weer gepraat wijst de kostvrouw Marten zijn
kamertje. Hij pakt zijn bullen eerst uit en kruipt dan onder de wol.

Het is echter niet mogelijk de slaap te vatten. Vanavond had Marten
graag thuis willen zijn. Het hele stel is thuis bijeen, want Moeder is
vandaag jarig. Hier is de omgeving vreemd, de mensen zijn vreemd, zelfs
het bed is vreemd. En dan is het vermoeiend geweest om te wennen aan het
Noord­drentse dialect met zijn onverwachte ei- en oe-klanken.

Als er in dat jachtveld maar zoveel wild is overgebleven, dat het
zichzelf op den duur kan aanvullen. De stropers zijn hier niet
gemakkelijk, heeft hij al gemerkt. Maar ja, dat waren de smokkelaars
immers ook niet. Het is alleen maar beroerd, dat je tegen een smokkelaar
veel beter kunt optreden dan tegen een stroper. Smokkelen is tenslotte
een misdrijf, wilddieverij een simpele overtreding. De wet is niet erg
scheutig geweest met het geven van bevoegdheden op het gebied van
stro­pe­rijbeteugeling.

Als de kostbaas, Herbers is zijn naam, vroeg in de ochtend met de
melkemmers rammelt, is het net of Marten nog niet geslapen heeft. Hij
laat zich uit de bedstee rollen en staat al spoedig op de deel om de
koeien eens te bekijken.

Herbers merkt tot zijn verwondering al gauw dat Marten ook een woordje
mee kan praten over de boerderij. Zo’n vreemde snuiter, met die rare
jachtopzie­nerskleren aan, dat die ook van het boeren verstand kan
hebben!

Dan vertelt Marten hem, dat hij op een boerderij is grootgebracht, dat
hij van kinds af met paarden en koeien heeft omgegaan en dat hij zelfs
een landbouwdiploma heeft.

“Keer’l man,” zegt de kostbaas, “wat is dat joa mooi dat ij verstand
hebt van boer’n. Doe kaanst mij joa mooi help’n as ik es verleeg’n zit.”

“Ja”, zegt Marten,”maar ik denk dat ik zelf hier eerder hulp nodig heb
dan jij, maar als er eens een koe moet kalven, dan hoef je de buren in
elk geval niet te halen, want zoiets kan ik ook wel opknappen.” Dan
roept de vrouw hen in de keuken voor de morgenkoffie.

Aan tafel vertelt de boer glunderend aan zijn vrouw over de ontdekking
van de boerenkennis van de nieuwe kostganger. De vrouw schijnt er
voorlopig het hare van te denken en knikt met afwezige belangstelling:
“Joa, dat zal wel.”

’s Avonds, als de kinderen naar bed zijn en de tafel is afgeruimd, is
de boer erg stil. Marten probeert een gesprek aan te knopen, maar
Herbers vervalt spoedig in een mistroostig zwijgen.

“Wat heb-ij toch Roel,” informeert zijn vrouw eindelijk. “Bist an’t prakkezeer’n. Doe bist ja zo stil!”

“Och,” zegt Herbers, “’t is geen bezun­ders. Maar ik wil ’t tóch
vertell’n ook. Harmsen zit der nou zulf bij, dan weet hij ’t ook meteen.
A’k et allemoale veuruut weten ‘adde , dan ha’k oe neit in hoes nomm’n.
Ik was vandoage de stal an ’t oetmesten en doe kwaam een buurman bij
mie. Doe west wel wee ik bedoele, Gien. Eerst proatten wij wat over de
snei, dat die al mooi wegdeujde, maar in’t lest kwaam de oap oet de
mouw. Hij had zein dat wij de nije jachtopziener in hoes hadd’n, want
hij had em hier zein lopen met Albert”.

“Hij zee: Roel, jong, hest-dou een vreemde keerl in kost.”

“Ik zeg: Joa man. Dat heb ik.”

“Nou, zee’e toen, doe duurst oardig wat woag’n, mien jong. Hest in
mobilisoatietied nog niet genóg leerd? As’n mèènsk met zien peerd op de
weg is, mut e oppass’n, dat het neit op de weg schiet, want dan eb ie
die keerls doaluk kloar stoan um te kiek’n of der ok hoaverkeurns in de
stront zitt’n. En zun keerl neem ij nou in hoes. Ik geef dij een goude
road: zurg dat é gaauw weer dien hoes óet is. Aanders stoa ik neit veur
dien roet’n in. En in’t durp denk’n ze der allemoale zo over.”

“Kiek, en as ik de roet’n der oet heb, dan zitt’n ze der nog neit weer
in. En ik wil ok neit groag ’t hele durp teeg’n mij hebb’n. En must dou
ook nog kiek’n noar die rog en hoaver?”

“Welnee, Herbers. Ik bemoei me alleen met het jachtveld, wat de boeren
verder doen laat me koud. Ze kunnen veel eerder gemak van me hebben,
want ik kan meteen wat toezien op hun veldvruchten en hun
afrasteringen.”

“Zoll’n ze ’t wel woag’n mien roet’n in te smiet’n?” “Natuurlijk niet.
Ze kijken eerst de kat wel uit de boom en als ze dan zien dat ik met de
crisiswetten niets te maken heb, zullen ze wel bijdraaien. En bovendien,
als ik eerst maar eens met de boeren heb kunnen spreken, dan zal het
wel beter worden.”