Spring naar inhoud

Markesteen Annen-Zuidlaren

Grensgeschillen in het heideveld bij Noordloo

 Hans Elerie

Over de vaststelling van de grenzen tussen de Drentse boermarken is in het verleden veel te doen geweest. De conflicten waren soms zo groot, dat de Etstoel moest worden ingeschakeld om de strijdende partijen tot een compromis te laten komen. Het begin van de conflicten is in feite terug te voeren tot de zestiende eeuw toen schapen in toenemende mate de rol van runderen als veldbeweiders overnamen. Schapen bleken namelijk veel beter dan runderen in staat het systeem van “afroming ” van de woeste gronden ten behoeve van de essen in stand te houden. Zij waren mobieler en vooral minder selectief wat betreft hun voeding.

De groeiende belangstelling voor het schaap als veldbeweider leidde al snel tot een plaatselijk ongekende beweidingsdruk. Aanvankelijk reageerden de ingezetenen van de marken (buren) hierop door paal en perk te stellen aan de hoeveelheid schapen, dat iedere boer mocht houden. Vooral in de marken Zuidlaren en Annen, die beide niet rijk bedeeld waren met veldgronden, was een dergelijke contingentering bittere noodzaak, maar niet voldoende. Ze zochten het in uitbreiding van hun veldgronden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat juist de buren van Zuidlaren en Annen al in de zestiende eeuw in conflict raakten over de weiderechten op de veldgronden in het grensgebied van hun dorpsgebieden. Het conflict spitste zich toe op de gronden ten noordoosten van de Galgenberg rondom Noordloo, een satelliet-es van de grote Noordesch van Annen, en zou uitlopen op één van de langdurigste markeprocessen in de Drentse geschiedenis. Het omstreden veld werd ook wel Wandersche of Wandelsche genoemd. De buren van Annen zagen de betreffende veldgronden als hun logische bezit, omdat ze de betwiste gronden al sinds mensenheugenis rostlick ende vredelick hadden bezeten, terwijl niemand van de Zuidlaarders zich daarover ooit beklaagd had of het gebruik daarvan had verhinderd. Vanaf het einde van de zestiende eeuw maakten echter ook de buren van Zuidlaren aanspraak op het Wandersche.

De juridische afwikkeling van de zaak stelde de Etstoel voor grote problemen, niet in de laatste plaatst als gevolg van het grote aantal getuigen dat moest worden gehoord. Belangrijker was echter dat beide partijen verschillende visies hadden op de status van het betwiste gebied. De buren van Annen beschouwden het als gemeenschappelijke weidegronden (compascuum), terwijl de Zuidlaarders zich baseerden op drie punten in het terrein, waarlangs de grens in het verleden zou zijn vastgelegd. Uitgangspunt voor het meest oostelijke baken vormde de grens tussen de Annerbuirmarcke en die van Adwert (de monniken van Aduard). De grens tussen de grondgebieden van deze beide partijen, de Hilligjessloot, wordt beschouwd al één van de eerste officieel vastgestelde markegrenzen in de regio. Vanaf een baken bij de uitmonding van de Hilligjessloot in het Schuytendiep( Oostermoerssche Vaart) zou de markegrens tussen Zuidlaren en Annen beginnen en naar het westen lopen naar het erf van de Groninger Burgemeester Joachim Ubbena, dat in de meest zuidelijke punt van Zuidbroeken lag. Op het erf van die burgemeester zou een tweede baken worden geplaatst, van waaruit een rechte lijn zou worden getrokken nae den paell bij de Galligen Berch, de Galgenberg. Voor de buren van Annen stond vast, dat de Galgenberg nooit één van de grenspunten kon zijn, want wanneer dat het geval was, zou de grens tussen Zuidlaren en hun marke dwars over Noordloo lopen. Om de impasse in het conflict te doorbreken kwam de Etstoel in 1602 met een voorstel aangaande de vaststelling van de grens in het Wandersche. In dit gebied zou een kuil gegraven worden, waarin een steen of paal een plaats kreeg. Vanaf dit veldbaken zou een rechte lijn worden getrokken naar een grafheuvel iets ten noorden van de Galgenberg. Ten noorden van deze grens mochten alleen Zuidlaarder schapen grazen, terwijl ten zuiden …. na Anner Esch ende boulant, sollen partijen ’t samen dat velt mit heiden ende weiden vredelick gebruicken, mits dat die van Annen jaerlic ende alle jaren die van Zuidlaren op meije geven sullen een goede tonne bier.” De genoemde grafheuvel werd het drie-markenpunt van Zuidlaren, Annen en Schipborg. De Galgenberg was daarmee geen baken meer in de grens tussen vier marken, maar bleef dat wel voor de grens tussen Anloo, Zuidlaren en Schipborg.

De Drostenkuil en hunebed D9

In de jaren 60 van de vorige eeuw werd de ingegraven grenssteen door landbouwer Tammenga aangeploegd en uitgegraven. De steen stond daarna jarenlang bij een inrit aan de Lageweg in Schuilingsoord en werd daar opgemerkt door een amateur-archeoloog . . . . .  dat zou één van de verdwenen dekstenen van het gemankeerde hunebed D9 aan de Zuidlaarderweg in Annen kunnen zijn . . . . .  De vermeende deksteen werd door Sake Jager van (toen nog) de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek opgemeten en gecontroleerd of het exemplaar zou passen op de (verdwenen maar met plomben aangegeven) zijstenen  van D9. Dat bleek geen probleem, zodat ook Jager niet uitsloot dat men voor de steenpaal van de Drostenkuil mogelijk een deksteen van het hunebed gebruikt zou kunnen hebben.

Bronnen

Elerie J.N.H., S.W. Jager en Th. Spek 1993: Landsschapsgeschiedenis van De Strubben/Kniphorstbos. Archeologische en historisch-ecologische studies van een natuurgebied op de Hondsrug, Groningen.

Wijnand van der Sanden en Hans Elerie 2008, Het hunebed van Annen, TOEN - no. 1 - 2008